AUTOJONGENS

Eerlijk is eerlijk.

Het ligt niet aan mijn vader.

Hij heeft tijd noch moeite bespaard om van mij een autojongen te maken.

Dat is niet gelukt, dat vertel ik maar alvast.

Er was ooit een hoopvolle periode waarin ik elke type auto, inclusief de subtypes, foutloos wist te onderscheiden. Maar zelfs dat lukt heden ten dage niet meer.

Maar toen mijn vader nog hoop koesterde lag ik uren onder de auto en werden mij de geheimen van de onderkant , het chassis, onthuld. Dan had je ook nog de carrosserie en ik werd wekelijks overhoord of ik het autojargon wel goed interpreteerde.

Ook organiseerde mijn vader, met nimmer aflatende energie, bandenwisselsessies. Ik vond dat zinloos. Banden die niet lek waren ga je toch niet verwisselen. Maar er was geen houden aan. Van voor naar achter, van links naar rechts, diagonaalsgewijs en als dat dan gelukt was opnieuw maar dan om te kijken of ik qua snelheid was vooruit gegaan. Zo niet, dan volgde er een herkansing.

Dan de wereld onder de motorkap. Ook daar viel veel te leren, te onderwijzen èn te overhoren. De catechismus heb ik uit mijn kop geleerd zonder dat ik begreep waartoe ik op aarde was. (Nu nog steeds niet, overigens, maar dat terzijde.) Zo wist ik ook de onderdemotorkaponderdelen uiteindelijk feilloos te benoemen en ook daarvan ontging me de diepere betekenis.

In die tijd liep je nog naar buiten als iemand een nieuwe auto had.

Zelfs ik.

Mijn moeder en mijn zusjes mochten even oh en ah roepen over kleur en de bekleding maar dan werd het al rap tijd voor het serieuze werk en riep mijn vader me om onder de motorkap te kijken samen met de trotse eigenaar van het nieuwe automobiel. Ik kreeg al gauw in de gaten dat wanneer je onder de motorkap keek daar een speciale gezichtsuitdrukking bij paste.

Je hoorde kritisch, nieuwsgierig, nadenkend en ook jongensachtig schalks te kijken. Kortom, het zou duidelijk zijn dat er met jou en je autokennis niet viel te spotten. Jij liet je niet voor het lapje houden.

Ik was nog op de leeftijd dat het kopieergedrag een vrome devotie kende en ik oefende voor de spiegel op een passende gezichtsuitdrukking. Met mij viel ook niet te spotten.

Jaren later kwam een vriend, een echte autojongen, vol trots zijn eerste derdehandsje laten zien. Na het eerste oh en ah vond ik dat het tijd werd voor het serieuzere werk. Ik sloeg hem op de schouder en riep geroutineerd terwijl ik mijn ‘met mij valt niet te spotten tronie’ opzette: gooi die motorkap eens open. De vriend keek me verbluft aan, schoot in de lach en zei: dat interesseert jou toch helemaal niet. Ik speelde nog even met de gedachte om voor te stellen dan maar die wielen te gaan verwisselen maar ik besefte nog net op tijd dat het gedaan was met mijn geloofwaardigheid als autojongen.

En het is ook nooit meer goed gekomen. Een auto is voor mij een ding dat me comfortabel van A naar B moet brengen zonder poespas of pretenties.

Zo’n auto moet het gewoon altijd doen en ik heb in al die jaren nog nooit een lekke band  gekregen. Wel vroeg ik altijd voorzichtigheidshalve aan dames die zich voor kortere dan wel langere tijd aan mij wilden verbinden of ze een wiel konden verwisselen. Dat konden ze!

Laatst liep ik samen met een andere vriend na een feestje naar onze auto’s.

Wat heb jij een klein autootje riep hij uit. Hoezo, reageerde ik enigszins giftig. Nou antwoordde hij: je had toch altijd een Saab?

Jij zou eens onder de motorkap moeten kijken dacht ik gemelijk.

Eén opmerking over 'AUTOJONGENS'

Plaats een reactie