We bezochten een huisconcert op een vrieskoudezondagmiddag met een keurig publiek bestaande uit intellectuelen, en een enkele pseudo-intellectueel zoals ik, en er zou een saxofoniste optreden. Ik vind een saxofoon een geweldig instrument dat in staat is mijn ziel aan een draadje uit me trekken waarna ik alsnog gelukzalig achterblijf. En daar kwam bij dat ik een nostalgisch ‘lazin’ sunny afternoongevoel’ had waar een saxofoon complementair aan was. De glazen rood en wit gingen al rond. In gedachte was ik liever ‘sipping on an icecold beer’ zoals de Kinks dat zo smachtend bezingen, maar goed een kniesoor die daar zijn luierend humeur door laat bederven. We zochten een klapstoeltje, knikten vergenoegd links en rechts en keken tevreden in het rond toen iemand omdenkend riep ‘vergeten jullie niet je telefoon weer aan te zetten na het concert’ en een groot deel van het gezelschap, blozend van gêne, een tasje of een andere opbergplek indook.
De soliste maakte haar entree en begon met O Virtus Sapiente van, jawel, Hildegard von Bingen. Een van de eerste vrouwelijke componisten uit de twaalfde eeuw en zij bezingt de wijze deugden. Een hachelijke onderneming voor zo’n vrouwmens want als iets verkeerd geïnterpreteerd werd lonkte er altijd wel een of andere brandstapel. Geen wonder dat sommigen zich volledig wijdden aan een liefde van fysiek en geestelijk verlangen naar “Hem”.
De soliste kondigde aan dat zij gecharmeerd was van eigenzinnige vrouwen. Getriggerd, ze kunnen mij niet eigenzinnig genoeg zijn namelijk, zat ik op het puntje van mijn klapstoeltje en dat is een hachelijke onderneming want de zitting klapperde al en het scheelde niet veel of ik was luidkeels kletterend ten onder gegaan meewarig gadegeslagen door tal van al die aanwezige vrouwen. Maar dat bleef me bespaard en de soliste vervolgde haar verhaal over ene Hadewijch die, geloof ik, de eigenzinnigheid als concept heeft bedacht en ontwikkeld. Luister en huiver, die Hadewijch was me er een. Ze bekende geen man! Neen dat niet, maar ze verlangt schokkend en bevend naar Hem.
Daarna kwam Hi selve te mi, ende nam mi altemale in sine arme ende dwanc mi ane Hem; ende alle die lede die ic hadde gevoelden der siere in alle hare genoegen na miere herten begerten na miere menscheit. Doen werdic genoeget van buten in allen vollen sade. Hierna bleef ic in ene vervaarne in mijn Lief, dat ic al versmalt in Hem, ende mi mijns selves niet en bleef.
Nou ja, Middelnederlands maar er is geen woord Spaans bij. Daarbij vergeleken is Jan Wolkers een kruipengeltje. Hier spreekt een vrouw met een allesverterend, razend verlangen naar ‘minne’, een spirituele extase. En daar hoort dan ook nog een mooi woord bij waarvan ik nog nooit had gehoord: OREWOET. Ik hou van mooie woorden waar je op kunt sabbelen, die je kunt laten walsen in de gotiek van het gehemelte en die zowel fluisterend als in falset weldadig blijven klinken. Dat heb ik nou niet bijvoorbeeld met lelijke woorden als Purmerend of selfie.
Ik raakte onder de bekoring van mijn luie zondagmiddaggevoel en dagdroomde wat over eigenzinnige vrouwen toen de saxofoniste het orgasme van Hadewijch memoreerde en ik weer met een ruk in het hedendaagse terecht kwam.
‘Bestond dat toen al’ vroeg een van de aanwezigen, natuurlijk een vrouw want zelfs een eigenzinnige man zou zoiets nooit durven vragen. Het bleek een retorische vraag want niemand ging er inhoudelijk op in, toch jammer.
Orewoet, waarschijnlijk van ore en woet en wellicht het best vertaald met duistere dolzinnigheid. Woorden waar ik nog wel even met genoegen op kan sabbelen, duistere dolzinnigheid. Roekeloze losbandigheid. Sabbelt ook al zo lekker. Terwijl de laatste tonen van de saxofoon verklonken bedacht ik me dat bij de gedachte aan een eigenzinnige vrouw voortaan altijd die Hadewijch zou opduiken.
Schuddebuikend van de lol lazerde ik alsnog van mijn klapstoeltje.