KONINGSDAG

In de aanloop naar Koningsdag begint er bij mij een vuurtje te smeulen. Een aangenaam vuurtje kan ik alvast verklappen. Het zijn niet de oranje attributen in de winkels en ook niet het vooruitzicht op de Koningsnach laat staan de talloze markten waar de goedbedoelde rotzooi je staat aan te grijnzen en waar ik altijd, tegen beter weten in, toch zwicht voor smekende kinderoogjes waarna ik alsnog zwaar beladen huiswaarts keer mezelf overtuigend dat de aangeschafte waardeloosheden altijd leuk zijn voor de kleinkinderen die je al bij ontvangst ziet denken ‘dat kan ik mooi volgend jaar op de rommelmarkt kwijt’. Dat verklaart althans de nonverbale acrobatiek op hun gezichtjes die van teleurgestelde vertwijfeling(wat moet ik daar nou weer mee) flitst naar opluchting omdat een winstgevende gedachte opplopt. Ja, dat zakelijke instinct hebben ze ongetwijfeld van hun grootvader. Edoch, ik dwaal af en dat kan ik me niet meer permitteren. Terug naar het smeulende vuurtje dat ik liefdevol aanblaas richting Koningsdag. Het knapperde lekker daarbinnen en een behaaglijke gloed kwam over mij. 

‘Weet jij al waar ik aan denk’ vraag ik aan mijn huisgenote. Dat is een overbodige vraag. Maar overbodige vragen houden het discours levendig. Ze knikt:’ natuurlijk weet ik waar je aan denkt’ en wat ze vervolgens gaat zeggen is ook volstrekt overbodig want ik weet allang dat ze dan zegt dat ze me kent. Dat laat ik tegenwoordig maar zo want anders wordt het discours wellicht te levendig. ‘Want ik ken jou’ vervolgt ze onverstoorbaar. Dat ‘want ik ken jou’ is voor mij dualistisch. Ik kijk opzij. Zie ik een stralende glimlach, vervuld van zelfbevestiging, of hoor ik iets dreigend in de ondertoon. De stralende glimlach werd mijn deel en ik sprong juichend op mijn fietsje, riep nog ‘ik ga ze bestellen’ en repte me naar de lokale Hofleverancier van de, let op, Oranje Tompoezen die met een vorstelijke Strik verpakt glanzend liggen te wachten in de vitrines. Ik rekende er vier af want je weet maar nooit of er iemand langs komt en ik moet er niet denken dat….. dat mijn Oranje Tompoes gevierendeeld gaat worden. Ik spreek af dat ik ze de volgende morgen tussen negen en tien kom ophalen. Menig zuurpruim weet mij te vertellen dat ik dan dezelfde tompoezen meekrijg die me nu al glimmend en verlangend aankijken maar ik wentel mij in het naïeve vertrouwen dat mij in mijn leven ook heel veel heeft opgeleverd. ‘Tot morgen’ zeg ik joviaal tegen de goedlachse mevrouw met wie ik mijn Oranje Tompoezendeal zojuist heb afgerond. ‘Tot morgen’ roept zij vrolijk ’want dan ben ik er ook’. Dat laatste was nou ook weer een overbodige opmerking want ze had me al toevertrouwd dat ze de volgende dag tot een uur moest werken en dan…. aan de tompoezen zou gaan. We waren inmiddels soulmates en soulmates ga je niet corrigeren over het gebruik van overbodige opmerkingen. 

De volgende ochtend stond ik om half tien op de stoep na ruim overleg met mijn inwendige coach. Zeg nou zelf. Heb je een date met de Tompoezenmevrouw dan is het wel heel pathetisch als je al om negen kwijlend van verlangen op de stoep staat. ‘De doos staat al voor je klaar’ zei ze ‘en ik heb ze zelf voor je ingepakt. Smullen maar.’ Ik knikte en slikte, kon geen woord uitbrengen. Ze begreep het en stak empathisch haar duim omhoog. Ik dee hetzelfde hoewel ik niet van dat duim gebaar hou en al helemaal niet als twee van die duimen omhooggaan. Enfin, de Vorst was jarig en ik had mijn Oranje Tompoezen en ‘daar gaat het om’ lispelde mijn inwendige coach zuinigjes. Traditiegetrouw wacht ik met mijn eerste hap Oranje Tompoes totdat de Blauwe Bus tot stilstand is gekomen. Zo’n bus stopt niet gewoon maar komt tot stilstand. Een soort busselijk schrijden. Nog even wachten op Max, oh en ah over haar hoedje, en als de boeketjes voor de prinsesjes zijn aangereikt neem ik de eerste vorstelijk hap uit de Oranje Tompoes. De smaakcollage van knoesperig bladerdeeg, de smeltende banketbakkersroom(nooit, nee nooit, crème zeggen!!) tezamen met het fluweelzachte van het oranje fondant van de toplaag is het hoogtepunt van de dag. Het fondant is het fundament van de monarchie. Overbodig, daar heb je ‘m weer, te zeggen dat mijn dag niet meer stuk kon.                                                                                                         De volgende dag waren er nog twee Oranje Tompoezen. Wanneer te verhapstukken? We schoven het probleem voor ons uit en besloten een lange wandeling te maken. Er scheen nog steeds een niet te versmaden oranjezonnetje en diverse vlag en wimpels wapperden lusteloos na een nachtje doortrekken in een opwekkend briesje. We genoten van de glooiende heuvels, groene weiden omzoomd met ontluikende beuken, eiken en witgebaste berken. De vogels zongen goedgemutst, de vlinders fladderden en de bijtjes zoemden in de bermen. Alles op afstand van het leed in de wereld. We keken elkaar aan en wisten wat we niet wilden zeggen en we wisten wat we wel wilden denken. Blijf genieten van het mooie en het goede. Een Oranje Tompoes is dan bijzaak. Overbodige opmerking.

Eén opmerking over 'KONINGSDAG'

Plaats een reactie