Nog niets vermoedend zit ik op een druilerige zaterdagochtend behaaglijk in het echtelijke bed aan een kopje koffie met een, alleen in het weekend, beschuitje met ambachtelijke jam ons cadeau gedaan door een leuk zusje of een gulle vriendin. Ik realiseer me ineens dat we altijd zelfgemaakte, of soms zelfs huisgemaakte(!?), jam krijgen van vrouwen, nooit van mannen.
Maar mannen zijn misschien niet zo gul of maken überhaupt geen jam of smikkelen hun eigen jam liever zelf op als ze er tenminste voor uit durven te komen dat ze zelf jam maken.
Jam heeft iets vrouwelijks. Althans voor mijn vader, een man van uitgesproken meningen. Er was jam èn er was mannenjam, zo vertrouwde hij me toe. En dus werd mijn treurig lot dat ik als jochie met tranen in mijn ogen marmelade moest wegwerken terwijl mijn zusjes triomfantelijk een volle lepel glanzende aardbei- frambozen- of abrikozenconfiture, van een tante zus of zo, op hun beschuitje schonken. Confiture werd gereserveerd voor uitzonderlijk lekkere jam en van gelei sprak men als alle pitjes en andere ongerechtigheden waren weggezuiverd.
Aldus mijn moeder die ook een inhoudelijke jammenduit in het zakje wilde doen. Ik constateerde opgelucht dat die marmelade nooit de status van confiture(uitzonderlijk lekker) zou bereiken laat staan die van gelei met al die bittere sinaasappelschillen.
Aldus zoet sabbelend op mijn herinneringen en mijn laatste stukje beschuit met gelei werd ik wreed opgeschrikt doordat mijn medekoffiedrinkendeenbeschuitmetjametende bedgenote met de kruimels nog in haar mond riep ‘hé, dit is wat voor jou’. Ik hoopte nog even dat ik het, met al die kruimels, niet goed had gehoord want met een ‘hé, dit is iets voor jou’ zit je al in een fuik waaruit bijna niet meer te ontsnappen valt want dan is er iets zorgvuldig voor je geselecteerd en waag het niet omdat dan af te wijzen. Gevoelloos, onattent of zelfs bot.
Ik besloot mee te werken hoewel alles in mij schrap ging staan.
‘Wat is er, lieve?’ vroeg ik op zoetsappige toon.
‘Nou, ik lees net in het digitale wijkkrantje……..’
Ik moet even iets bekennen.
De papieren versie van de wijkkrant probeer ik, met wisselend succes overigens, altijd te verdonkeremanen gezien het hoge gehalte van ‘hé, dit is wat…’. Maar digitaal lazer ik voluit in de kuil die voor de ander is gegraven.
Vluchten kan niet meer en zoetgevooisd veins ik belangstelling.
‘Wat is echt iets voor mij?’
‘Er is een tweedaags seminar Dierencommunicatie voor volwassenen’
‘En daar wil jij graag naar toe, nou dan doe je dat toch’ probeer ik nog.
‘Ontdek jouw capaciteiten om met dieren te communiceren’ ratelt ze door mijn interventie negerend. ‘Zou goed voor je zijn’ er aan toevoegend en ik voel me steeds vaster in de fuik komen zitten.
Voor uw informatie, we hebben al bijna 4 jaar een teckeltje, een vrouwtje, en ik heb het gevoel dat we uitstekend communiceren al was het alleen al omdat, als zij gebiedend blaft dat ze naar binnen wil, ik doe wat er van me verlangd wordt en de deur open doe waarop zij besluit toch maar weer de tuin in te gaan. Tja, la donna è mobile wist Verdi al. Daartegenover staat dat zij mij niet tegenspreekt wanneer ik haar mijn visie op het een of ander ontvouw.
Ik moet er overigens niet aan denken wat er zal gebeuren als ik, tijdens het kennismakingsrondje op dat tweedaagse seminar, snikkend onthul hoe ik communiceer met mijn beestje. In koeterwaals en daarnaast het ruim interpreteren van gedrag zonder expliciet checken of dat wel klopt. Ik vrees dat ik in een spanlaken wordt afgevoerd, met een in inbewaringstelling, naar een herstellingsoord in een rustige omgeving.
Ik voel dat er vorsend naar me wordt gekeken.
‘Ik zal er over nadenken’ en voel de fuik wurgen.
Even later, fris en fruitig, geef ik het beestje een knipoog en vraag ‘uit’?
Het diertje lanceert zich van vreugde en springt luidkeels blaffend tegen me op. Het staccato blaffen interpreteer ik gemakshalve als JA JA JA!
Daar heb ik geen communicatieseminar voor nodig, jaja.
Opgewekt verlaten we samen het pand op weg naar ons favoriete parkje.
Bomen, bosjes, laantjes en paden en overal iets te snuffelen of te beplassen.
Er is een laantje waar ze bij voorkeur een poepje pleegt: het poeppaadje.
Bijna altijd raak.
Ook nu rent ze weer opgetogen heen en weer.
Even ruiken, even zitten, nee hier niet en daar toch eigenlijk ook maar niet, dan valt er een kastanje, ze kijkt geërgerd, het momentum is even voorbij.
Weer verder, hier in het zonnetje, bij nader inzien toch te veel licht, dan daar maar daar is het gras te nat voor de poeperd.
Ik moet grinniken en denk aan een groepje vriendinnen dat een terrasje wilde pikken voor een koffietje. Kwakend en kwetterend arriveerden ze zwaaiend met tassen met net verworven ‘uitverkoopjes’.
‘Koffie meiden’ verordonneerde een struise en wilde al neerzijgen maar een andere vermetele riep ‘hier hebben ze geen lekkere cappuccino’ en stak de straat over maar daar lag het terras in de schaduw en het terras er naast was te zonnig en daarnaast deed de heater het niet en daar was weer wat met de stoelen. De tassen met vers aangeschafte koopwaar zwaaiden steeds driftiger en de stemming steeg tot een vriespunt.
‘Meisjes, hier gaan we zitten’ sprak een wulpse veelbetekenend ‘hier hebben ze een leuke ober en die maakt hele lobbige cappu’s’.
Eensgezind en zonder morren werden de zwaaiende tassen gekalmeerd en opgelucht zuchtend zegen de vriendinnen in hun stoelen.
Het beestje had uiteindelijk een plekje naar wens gevonden en maakte aanstalten. Ze keek me even nadrukkelijk aan en ik wendde discreet mijn blik. Een welhaast menselijk gekreun gaf aan dat het proces vorderde en de eindfase nabij was waarna ze elegant wegsprong van het product mij de gelegenheid gevend om een en ander hoffelijk te verwijderen. We kuierden samen verder en ik besloot niet te gaan seminaren, zeker geen twee dagen.
Laat mij maar in de waan dat ik mijn teckel begrijp en zij mij.
Ik keek haar lachend aan en gaf een knipoog.
Ze lachte niet terug, da’s altijd jammer, maar knipoogde wel.
De schat!