Het jaarlijkse Nijmeegse festijn op wereldniveau was al twee jaar tot groot verdriet van lopers, meelopers, ondersteuners en feestgangers uitgesteld maar dit jaar waren de COVID-goden mild gestemd en koersten we weer af op een mooie 4Daagse.
Teneinde de verlepte wandelconditie wat op te peppen besloot ik op een zwaarbewolkte zondag eind mei kilometers te gaan maken. Voorzien van koek en zopie in het rugzakje en de wandelschoenen aangeveterd vertrok ik monter.
Ik had een parcours in gedachten dat beginnend in het Gelders Landschap via een stukje Duitsland naar het door mij zo geliefde 7 heuvelengebied zou voeren. Sterk glooiend landschap met heuvels en dalen, kortom een perfect traject om de verpapte benen aan het werk te zetten.
Mijn stemming was opperbest. De lucht zompig na dagen van forse regenval, geur van natte natuur, de bodem voelde mossig waardoor ik het gevoel had met een veerkrachtige tred te lopen. De vogels floten hoog in de bomen die af en toe nog wat druppels van zich afschudden na de regenval van de vorige dagen. Soms was het wat laveren tussen de plassen als kleine vennen op de paden. Peanuts. Het juichte in mij. Letterlijk en figuurlijk lekker op weg. De Snelle Jelles werden gretig verslonden. Het leven was goed, ik verwijlde enigszins in hogere sferen en was bijpassend zweverig en daardoor voelde de klap waarmee ik weer op aarde kwam oorverdovend. Ik hapte naar adem en lag vormeloos op mijn rechter onderarm en probeerde amechtig overend te komen. Hoezo veerkrachtig?
Ik bekeek mijn pols. Beetje gekneusd, niks aan de hand stelde ik mezelf gerust. De volgende ochtend bleek er toch sprake van een breukje en dus 3 weken gips.
Dus niet autorijden, niet fietsen en niet de dingen doen die ik als rechtshandige juist wel doe en die linkshandig heel onhandig gaan. Maar goed, er zijn ergere dingen en met mijn benen was niets aan de hand dus ik marcheerde er weer vrolijk op los op weg naar de 4Daagse die er toch echt aan zat te komen. En tegen die tijd zou ik weer gipsloos zijn.
Het zou heet worden, heel heet en terwijl ik op de Wedren puffend in een lange rij stond om mij als Gladiool in te schrijven kwam daar het bericht dat besloten was de eerste dag te laten vervallen. Balen en jammer natuurlijk maar goed er bleef nog een 3/4Daagse over en ik had er zin in.
De woensdag, de dag van Wijchen en Beuningen, was aangebroken en als Gladiool had ik die dag een late start en in mijn bed hoorde ik het startschot van de 50km helden en het bijbehorende gejuich. Een vage opwinding maakte zich van mij meester. Dadelijk ik!
Ik ging op pad vergezeld van een succeszoen, wat kan er dan nog mis gaan.
Ruim op tijd was ik bijna op de Wedren. Meerdere Gladiolen, herkenbaar aan het witte 4Daagse polsbandje, waren op weg. Wederom een juichend gevoel in het borstkastje en ja hoor, daar ging ie weer. Met een rotklap richting aarde. Ik dacht nog ‘denk aan je rechter pols’ en landde op mijn snufferd. Een bloedbad. Met moeite wurmde ik met mijn nog wat beperkte rechter hand een zakdoek uit mijn broekzak en ging op weg naar pleisters die later deskundig door een moederlijk type in de startrij op mijn gehavende neus werden geplakt.
‘De Val van de Gladiool’ grinnikte ik bij mezelf, mooie titel voor een Suske en Wiske en wie zou ik dan de gladiool maken Sidonia of Lambik.
Sidonia valt als een sierlijke strijkplank en Lambik valt ook, maar ontredderd maaiend met alle armen en benen die hij maar kan vergaren. Ik concludeerde dat ik dan waarschijnlijk een soort Lambik ben. Geen verheffende gedachte maar dan moet je ook maar niet vallen, oordeelde ik hardvochtig over mezelf.
Inmiddels demarreerde ik in het peloton van de zestigplussers op de Heyendaalseweg omdat ‘t die zogenaamde eerste dag ook nog erg warm zou worden en ik dan maar beter een eind op weg kon zijn. Het ‘goeiemorgen’ en ‘goeiemorgen’ in alle toonaarden klonk als vanouds en de eerste kraam met puddingbroodjes doemde al op en al denkend ‘hoe kun je nu al zin hebben in een puddingbroodje’ stiefelde ik stevig door soms meewarig aangekeken met al die pleisters. Ondertussen keek ik af en toe toch wat bezorgd naar mijn linker hand. Dik en inmiddels bont en blauw en gevoelig. Blijkbaar had ook die hand een rol gespeeld bij het ter aarde storten. Gekneusd stelde ik vast, met een kennersblik, en laafde mijn hand onderweg aan de tuinslangen met water die ter afkoeling sproeiden.
Wijchen was een groot feest.
Onderweg naar Beuningen besloot ik wat te eten op een plek die 500 stoelen beloofde. Allemaal bezet en mij restte een stoepje en probeer daar maar eens te landen en vervolgens weer op te stijgen met twee niet functionerende handen. Hilarisch.
Inmiddels werd het heter en heter en de halve waterijsjes in het Waterkwartier blijken een delicatesse waar een driesterrenrestaurant nog een puntje aan kan zuigen. Nog lekkerder dan de goudgelerakkers die mij verwelkomden op de Wedren.
Thuisgekomen keek ik wat ontremd naar de vormeloze bovenste extremiteit ter linkerzijde waar geen anatomie meer aan te bespeuren viel en volhardde halsstarrig in mijn diagnose dat het slechts gekneusd was en dat ik daar best mee kon lopen. Zo gezegd en zo gedaan, alles gesmeerd, gepakt en op tijd naar bed om ’s nachts te beslissen toch maar eerst naar de huisarts te gaan. Dramatisch besluit want dat betekende einde van de 4Daagse die al een 3Daagse was en voor mij stolde bij de 1Daagse.
‘Ben je er alweer’ vroegen ze op de gipskamer toen ik daar weer kwam voor
gips. Ik kreeg een kop als een vuurrode gladiool.
Als ik volgend jaar weer bij de Gladiolen wordt ingedeeld vraag ik overplaatsing aan naar de Wandelschoenen.