Eigenlijk hou ik niet van sport.
Enigszins bedremmeld durf ik dat langzamerhand te erkennen want je maakt er geen vrienden mee en daar gaat het juist om in het leven. Gymnastiek was ook niet mijn favoriete vak en zolang ik maar met de platvoetjes op de vloer kon blijven wrong ik mij letterlijk in allerhande bochten om een enthousiaste indruk te maken maar zodra het wandrek, de touwen of de ringen aan de beurt waren haakte ik af. Ik kan nog badend in het zweet wakker worden na een droom, of zeg maar gerust een nachtmerrie, over een vogelnestje. Daar waar de ringen eenvoudig gescheiden moeten blijven door het beheerst gescheiden houden van de ringen met polsen en voeten werd dat bij mij een kluwen van ringen en touwen waar tussen gewrongen ik mijzelf dan terugvond als een getormenteerde schroefdraad en dat is, geloof ik, ook een atletiek oefening maar daar leek het helemaal niet op. Ik heb ook nog tafeltennis en squash geprobeerd maar ook daar bleek ik geen natuurtalent en ik besloot het beest maar eens in de bek te kijken. In die tijd, ik studeerde nog, was die term nog niet uitgevonden door filosofen en managementgoeroes maar desalniettemin keek in die bek. En wat zag ik? Geen goddelijk, behendig laat staan lenig lijf. Waar anderen achteloos een dropshot laten vallen, met een sierlijk hakje een droomcarrière verwezenlijken vloog bij mij het racket uit m’n handen of begon de bal een solocarrière die niet veelbelovend bleek.
Het beest blikte terug en gaf me een goede raad: blijf met beide benen op de grond.
In die tijd, de zeventiger jaren, kwam de term ‘joggen’ uit de Verenigde Staten overgewaaid en ging ik op een paar oude tennisschoenen op pad. Dat ging lekker. Alleen, in mijn eigen tempo, wanneer ik maar wilde, zonder afspraken. Ik begon met een rondje rond het plantsoen en verlegde langzaam maar zeker mijn grenzen en uithoudingsvermogen.
Inmiddels verhuisd en een nieuwe vriendenkring.
‘En doe jij ook iets aan sport?’
Ik: ’Jazeker’ met zo’n air van ‘wat dacht je dan’
‘Wat dan?’
Ik: ‘ik loop hard’(nonchalante houding, hand in de zak, in de ander een biertje)
‘Zoooh’ klonk het in mijn beleving bewonderend en ik veranderde snel van onderwerp de vrienden in de waan latend dat ik erreg sportief zou zijn. Een enkeling gaf nog aan dat hij ook zoiets zou moeten doen tikkend op zijn embonpoint terwijl hij nog gauw een bitterbal naar binnen propte.
Tot dat, tot dat……
Jaren later, mijn status als sportman was nog onaangetast, hadden mijn Venlose vrienden een sportief weekend georganiseerd. Natuurlijk in de Ardennen waar het bier lekker is en de frites ongeëvenaard.
Het zou een survivaltocht worden van wandelen, fietsen, rennen, roeien en dan na gedane inspanning zouden we aansluiten op het dorpsplein waar het bier rijkelijk uit de tap zou stromen en een degelijk gastronomisch maal genuttigd kon worden. Na het snurken, de volgende dag ontbijt, nog een activiteit en na de lunch weer huiswaarts. Het leek me een ontspannen programma, het was prachtig weer. Ik had er zin in.
De Venlose vrienden. Gul, hartelijk, gemoedelijk, vol humor en genietend van het goede leven en dat zag je bij een aantal ook wel terug in hun postuur.
Bij de eerste helling vielen de eersten al af. Kreunend en steunend. We hadden gelukkig een bezemwagen waar ze even opgelapt werden en daarna meestal wel weer door konden. Maar het bezit van een buik was geen pré. Een paar sportievere clubleden huppelden het hele traject ogenschijnlijk moeiteloos gemelijk gadegeslagen door de buiken. Mijn status steeg.
Het bier troostte en verbroederde en aan het eind van de avond concludeerden we unaniem dat we nog nooit zo’n leuke dag hadden gehad.
De volgende ochtend na het ontbijt meldde onze montere survivalexpert in zijn sappige Vlaamse dialect dat ons nog een speciale verrassing te wachten stond.
Ik rook onraad.
Ik ging maar eens buurten bij die survivalfreak die ik ineens niet meer zo sympathiek vond en eigenlijk acuut verdacht van achterbaks gedrag.
‘Awel, ik zeg niks maar makte gij maar gen zorgen’.
Ik was absoluut niet gerustgesteld en toen we later bij een klimmuur aankwamen brak het klamme zweet me uit.
De survivalfanaat en zijn trawanten roken mijn angst en met een laag loerende blik riepen ze vals ‘verrassing’.
Ik schakelde soepel over op een andere strategie en besloot mezelf dienstbaar te maken voor de groep. Sprak bemoedigende woorden voor wie het nodig had, gaf op- en voorzetjes, hielp ze op weg, stond te juichen als ze weer heelhuids teruggekeerd waren en was even onzichtbaar als er weer een verse groep geformeerd werd. Ik begon voorzichtig te hopen op het wonder van de ontsnapping totdat, totdat die Belgische lijp ineens riep ‘zijt gij al geweest?’ Ik kon hem wel op zijn Vlaamse smoel meppen en gaf aan dat ik al geweest was en niet meer hoefde. De angst spoot inmiddels als roodrokendsalpeterzuur uit mijn beide oren. Lang verhaal kort, ik moest en zou naar boven. Ik werd geborgd, er kon niets gebeuren, en met knikkende knieën en afgezakte schoudertjes en inwendig jankend om mijn moeder sjokte ik mijn noodlot tegemoet. Uitwendig heb ik een serie onverwachte primaire vloeken geproduceerd die inmiddels een iconische status hebben en tot het werelderfgoed behoren. Als er oude herinneringen opgehaald worden klinkt het steevast ‘weet je nog toen bij die klimmuur’ en dan barst er een homerisch gehuil los waarbij ik dan probeer cool te kijken maar ik vrees dat het er nogal schaapachtig uit ziet.
Jaren later ging ik, weer, met een club Venlonaren naar Mexico. Heel gezellig uiteraard met veel excursies en op een middag zouden we een Mexicaanse piramide bezoeken. Imposante bouwwerken waar eeuwen en generaties lang op louter spierkracht aan gewerkt werd en als ze hoog genoeg waren, werden ze van uit het steen gehouwen trappen voorzien.
De piramide kon beklommen worden, een hele klim weliswaar en ik zag diverse bedenkelijke blikken. Kom op jongens, riep ik overmoedig.
Nog wel.
Met een dartel tempo en een luchtige tred huppelde ik naar boven mijn vrienden, die nadrukkelijk kreunden en steunden, joviaal aanmoedigend. Boven aangekomen bekeek ik, ietwat meewarig, de kudde treuzelaars die in een langzame colonne van gehijg moeizaam naar boven kropen. Ik werd er ongeduldig van maar besloot toch even te wachten, misschien had er eentje wat hulp nodig…… een ijdele gedachte die ik gelukkig nooit hardop heb uitgesproken.
Ik stond dan wel boven maar ik moest ook nog terug. Een duizelingwekkend diepe afgrond van afgrijzen ontvouwde zich onder mij. Weer het klamme zweet, het bloed trok uit me weg en ik ging gauw zitten voordat ik reddeloos verloren naar beneden zou storten. Niets om me aan vast te houden. Wederom jammerend om mijn moeder schoof ik tree voor tree op mijn kont naar beneden. Af en toe opende ik mijn ogen om te zien dat er nog heel veel treden waren te gaan.
Inmiddels waren de vrienden ook op de terugweg. Ze huppelden dartel naar beneden met hotsenklotsende buiken die ineens niet meer in de weg zaten. Had ik maar een zo’n buik dacht ik wanhopig, dan zag het leven er wellicht prettiger uit. Zij hadden het in ieder geval naar hun zin en riepen vrolijk naar me: waar blijf je nou, ben je moe? Met een bibberstemmetje zei ik manhaftig dat ik nog even van het uitzicht wilde genieten en schoof omzichtig weer een tree naar benee.
Uiteindelijk kwam ik als laatste beneden en was zo opgelucht toen ik weer vaste grond onder de voeten voelde.
Het demasqué van de sportheld grinnikte ik.