de loop der lopen

Al in mijn studententijd ben ik gaan hollen. Hardlopen is ietwat te pretentieus voor het gezwoeg dat mijn loopstijl kenmerkt. Met huisgenoten, hop in de auto, naar het strand bij Katwijk om een aantal strandpalen te ‘nemen’ en dan door het mulle zand, op versleten tennisschoenen, naar de duinen en over het duinpad weer terug naar de parkeerplaats. Moe maar voldaan compenseerden we daarna de verbrande calorieën met een copieus maal en begeleidende, alcoholische, versnaperingen.

Eind jaren 70, ik werd inmiddels een ‘eerzame’ huisvader, is het hollen structureel ingezet. Eerst met rondjes rondom het parkje voor de flat in Leiderdorp en later met rondjes rondom het Eendenven in Noord-Limburg. Rondjes van aanvankelijk een paar kilometer tot rondjes van 10km. En altijd moe maar voldaan bij thuiskomst. En dat was nou juist zo leuk. Ik voelde me daarna de rest van de dag zo lekker. Euforie. Ik kreeg dan het gevoel de hele wereld aan te kunnen.

Hardlopen, joggen, hollen, no matter what, het werd een hype in die jaren. Alleen of in groepjes, langs wegen of door de velden, overal lopers. En iedere zichzelf respecterende gemeente of regio organiseerde zijn eigen loop zoals de Maasvalleiloop(20km), de halve marathon van Gennep en natuurlijk de 7Heuvelenloop(15km). Geteisterd door de angst als laatste binnen te komen, als ik überhaupt al aan zou komen, verstoutte ik mij om maar eens mee te doen. Bloednerveus wierp ik schielijk steelse blikken over mijn schouder om te zien of ik al hekkensluiter was. Mijn zonen wilden in het begin nog wel eens mee ter aanmoediging maar haakten al spoedig af. ‘Je wint toch nooit, Pap’. En dat was ook zo maar ik voelde me er wel lekker bij, vitaal. En het was ook goed voor mijn humeur.

‘Zou jij niet eens even een eindje gaan lopen’ adviseerde mijn omgeving me wel eens. En de dag verliep weer voldaan.

Tijdens wat stille, contemplatieve momenten en dan ben ik meestal zeer tevreden met mezelf, fantaseerde ik weleens over de mogelijkheid van een heuse marathon. Maar dan wèl voor mijn vijftigste. Dat gaf ruimte voor de mijmeringen en bood een nooduitgang voor het afzien.

Ik werd vijftig en concludeerde opgelucht dat het niet meer hoefde en verwijlde in de weelde van de ‘gemiste kans’. Tot dat ik niets vermoedend naar een feest van een van mijn Venlo’se vrienden ging alwaar ik werd aangeklampt door een loopgenoot die me vertelde dat ‘we’ de marathon van New York gingen lopen en dat ik mee zou gaan. Ik stribbelde tegen en prevelde dat ik inmiddels 53 was en dus niet meer hoefde.

‘Die en die gaan ook en jij en ik dus ook’ klonk het vastberaden en twee biertjes later was ik ‘om’ en zegde toe. Ik had nog ongeveer een jaar om te trainen en afstand op te bouwen, troostte ik mezelf, want verder dan een ‘halve’ was ik nog nooit gekomen. 

De volgende ochtend was niet katterig. Ik dacht niet ‘wat heb ik nou gedaan’ maar wel ‘hoe pak ik dit nou aan’. Het gaf me een prettige energie. Leuk! Gaat het er toch nog van komen. Tijd genoeg. Elke week één kilometer erbij, dat moet toch lukken, dacht ik overmoedig. En het grote uitstellen begon. Tot de voorjaarsvakantie in Gulpen alwaar ik de eerste geplande trainingskilometers ging afleggen in het Zuidlimburgse heuvellandschap. Juichend gevoel maakte zich van mij meester. Ik was op weg naar New York. De Big Apple. Het traject naar NY werd georganiseerd en begeleid door een instantie die dat goed heeft gedaan. Een stroom aan info betreffende loopschema’s, voeding- en kledingadviezen, voorlichting op Papendal door beroepslopers enthousiasmeerde me echt. Ook hadden we als Venlo-Groep twee goede doelen geadopteerd. We lieten ons sponseren door bedrijven en particulieren en zouden lopen voor de Stichting Taaislijmziekte en de Thuiszorg Noord-Limburg.

Ondertussen liep ik twee keer per week. Conform de diverse adviezen wekelijks een steeds langer wordende afstand en de andere keer kortere afstandjes met tempoversnellingen en heuveltraining i.v.m. het beruchte parcours in New York. Het ervaren dat ik ‘het’ steeds meer en beter in de benen begon te krijgen stimuleerde ook. Eigenlijk viel die hele voorbereiding wel mee. In het weekend voor dag en dauw, dan had mijn sociale omgeving en programma er nauwelijks weet van, en dan door de week nog een keertje en met goed plannen vond het leven ook normaal zijn doorgang. En de kick dat een marathon binnen bereik kwam fascineerde.  Traditioneel is de eerste zondag van november de dag van de NYC marathon. We vertrokken, uitgezwaaid door geliefden, sponsors en andere enthousiastelingen, per bus uit Venlo richting Schiphol. Onderweg gezellig met spannende verhalen en nog wat laatste weetjes. De iconische toestanden bij de douane op Kennedy Airport zijn legendarisch maar dan weet je ook dat je in NY bent gearriveerd. Niet alleen onze reisleiding was super maar de organisatie van de Marathon, ter plekke, ook. De inschrijving verliep vlot en rondom het festijn werd van alles georganiseerd om de acclimatisatieperiode tot aan ‘De’ zondag prettig te laten verlopen. Zoals bv ‘de Verenigde Naties loop’ die uiteraard voor het gebouw van de VN startte. De Nederlands delegatie benutte de wachttijd door luidkeels de toenmalige Secretaris Generaal Kofi Anan toe te zingen: Koffie, Koffie, Koffie bedankt, Koffie bedankt enz. De 5km run door een zonnig NY was een peulenschilletje voor al die getrainde benen en eindigde met een verbroederingslunch in Central Park. Ik ruilde van shirtje met een Mexicaan en het verbroederingszweet beklijfde dierbaar. ’s Avonds een tussensprintje trekkend lazerde ik in volle vaart op Tom Cruise die ook gezwind op weg was naar dezelfde musical. We schoten allebei in de lach en ik constateerde opgelucht dat ik geen ledematenaverij had opgelopen.

De avond voor de grote dag gingen we en groupe natuurlijk pasta eten. De stemming was wat gespannen uitgelaten en de laatste tips werden uitgewisseld. Iedereen op tijd naar bed want de volgende ochtend was het vroeg opstaan en ontbijten om op tijd per bus te worden afgeleverd op Staten Island alwaar het zaak is in te schatten hoe warm het wordt en hoeveel kleding je uit wil doen. Naast mij worstelde Carolien Tensen met hetzelfde probleem, zag ik. Ik heb haar maar geen adviezen gegeven. De ochtend is koud in november maar in 2004 zou het een prachtige zonnige dag worden. Ik liep uiteindelijk alleen in een shirtje en een shortje. Prima. Nog een slokje en een hapje  en wachten tot het startschot waarna gejuich en Frank Sinatra die New York bezingt. Kippenvel. Daarna is het nog geruime tijd wachten alvorens jouw cohort langzaam lopend door de start gaat. Maar het juichende en stromende gevoel toen ik bijna dartel op de Verrazano Bridge, benedendeks, was aangekomen herbeleef ik nog vaak. Ik was er, I did it, de marathon. Ik had nog ongeveer 42km te gaan maar dat boeide(toen nog)niet. Met een superieur gevoel sloeg ik , na de Bridge, linksaf Brooklyn in met de sensatie alsof ik 10cm boven de aarde zweefde.  Hallucinerend, bijna, van plezier. Het publiek is 42km lang waanzinnig in hun aanmoedigingen. Ik had mijn naam op mijn borst gespeld en met een scanderend Jen, Jen, Jen ging op vleugels.

Niet alleen de toeschouwers maar ook de lopers zelf zorgen voor spektakel. De legendarische man, in rokkostuum met een blad met een fles champagne en glazen, heb ik voorbij zien snellen en zo waren er meer meelopende attracties onderweg.

Ondertussen ging ik zo lekker, gedragen door euforie en aanmoedigingen, dat ik begon te filosoferen(daar had ik blijkbaar tijd voor) over een eindtijd. In mijn trainingsperiode evolueerde ik van ‘als ik ‘m maar uitloop’ naar ‘wie weet binnen 4,5 uur’ tot ‘binnen 4 uur’ hoewel ik wist dat die begeerde 4 uur niet haalbaar was. Maar, zoals gezegd, ik bleek op vleugels te gaan en als ik mijn tijd en afstand nu extrapoleerde dan zat het er, wie weet, toch in. Ik merkte dat ik kleine tussensprintjes ging doen. Mijn interne coach fluisterde dat ik dat beter niet kon doen en dat ik nog een heel eind te gaan had. Mijn Onoverwinnelijke Ik temde het gefluister met een extra sprintje. Omineus, zou later blijken. Maar eerst ging het nog voor de wind. Breed zwaaiend naar het juichende publiek, de euforie, de rillingen over de bezwete rug en het kippenvel op weg naar de Queensboro Bridge. Een nogal donkere en sombere brug waar al veel lopers zichzelf tegenkomen en kotsend langszij staan. Maar ik dans dan nog zwierig een overwinnaars rondedansje voor alle leuke Venlose dames bij het supporterspunt op First Avenue. Ongeveer 30km zit er dan op en ik denk ‘nog 12 km te gaan’. Doen we even. Binnen de 4 uur finishen lijkt nog te lukken maar ik voel al wel dat ik wat vertraag. Logisch. Toch?

Een immens lange deinende groep lopers voor me doet me duizelen. Zo ver nog? Ja, zo ver en nog langer!

Mijn lijf begon te stribbelen en ik stribbelde mee.

Wat drinken. Hielp niet. Even stilstaan. Heerlijk. Hielp ook niet. Wat eten. Wat ik ook probeerde, niets hielp.

Het nimmer versagende publiek zag mijn worsteling en besloot me er door heen te helpen. Desnoods te sleuren. Vastberaden!

‘Go Go Go! You’re doing great’. En: ‘looking great. Come on, keep running’.

Ik kwam in het stadium dat ik het publiek begon te haten.

‘Jen, Jen you can do it’

‘Doe het zelf, man’ dacht ik vijandig en sukkelde half lopend, half strompelend, inwendig mezelf vervloekend dat ik me ooit had laten overhalen om mee te doen.

Ik denk dat ik niet erg gezellig keek maar het publiek bleef enthousiast en stak duimen op en scandeerden ‘Jen, Jen’.

De aanhouder wint en Central Park kwam in zicht. Eindelijk. Ik realiseerde me dat ik er nog niet was. Daarvoor waren we uitvoerig gewaarschuwd. Het was dan nog een paar kilometer tot de finish.

Boeide niet.

Het gejuich kroop in mijn bloedvaten, de vleugels groeiden weer aan en ik zweefde al weer een paar centimeters boven de grond.

Met een van ontroering aanzwellend borstkasgevoel rende ik de laatste kilometers met een elan als nooit tevoren. Althans in mijn beleving(sic).

Op 4 uur 20 minuten en 1(één)seconde kwam ik over de finish.

Wat was ik onbeschrijflijk blij en ook trots. Ik voelde me uitermate goed en de strompelkilometers werden effectief genegeerd. Het was gewoon een zegetocht.

Tot mijn grote verrassing trof ik op de verzamelplek waar we elkaar en onze spullen konden terugvinden de buurvrouw van mijn geliefde. Ze had haar telefoon bij zich en zo kon ik vers na de strijd laten horen dat ik in blakende welstand verkeerde. Heerlijk!

The day after was de juichstemming in mij nog in vol ornaat aanwezig.

New York was ook nog in de ban van de marathon. Op vertoon van je medaille was al het openbaar vervoer die dag gratis naast alle bewonderende complimenten die je er ook gratis bijkreeg.

De lopers herkenden elkaar ook zonder medaille. De overwinnersgrijns werd een grimas als de spierpijn de stramme motoriek pijnigde.

Spierpijn is lekkere pijn en wat alles goed maakt:

‘I did it, I did it, I really did it’  

Plaats een reactie