De zon komt met bakken uit de hemel.De bomen ontploffen groen.De tuinen exploderen.De bloemknoppen staan op barsten.De natuur juicht eensgezind: ‘Het is lente en ik kom er aan, nee ik ben er al’.En applaudiseert royaal voor zichzelf.
Rokjesdag hebben we al gehad en lang voor Martin Bril het fenomeen weer als bij toverslag onder de aandacht bracht schreef mijn vader mij in een brief, ja zolang is het dus al geleden, vanuit Londen over die ene dag dat al die leuke meisjes op Piccadilly Circus ineens blote benen hebben.
Goedgeluimd trok ik ter stad en markt.Het vooruitzicht gericht op leuke blote benen.Een wit waas voor mijn ogen.Witte benen, heel veel witte benen, mannenbenen.Moegewerkte benen hebben breedgezakte voeten als slagschepen en die verdienen blijkbaar sandalen lijkt het straatbeeld te zeggen.Ook dat nog.Lekker makkelijk.Met of zonder sokken.Met tenen als richtingaanwijzers.En nicotinenagels.Slome kuiten.Sloffende gang.Driekwart broek of zo’n handige afritsaffaire.Helemaal niks leuks en bloots te zien?Tuurlijk wel.Een enkele pront of parmantig paraderende kuit met de neus zelfbewust en zelfverzekerd in de lentelucht om al dat wits nietsziend te ontvluchten.
Ik maak mijn riem wat losser en probeer mijn broek wat naar beneden te sjorren. Ik trek mijn pet diep over mijn oren. Wellicht ten overvloede verschuil ik me ook nog achter mijn zonnebril en probeer zo onopvallend en incognito mezelf uit het straatbeeld te verwijderen.Ik sprint naar mijn fiets, spring er op en race naar huis.Ogenblikkelijk trek ik een lange broek aan.Dat is één paar witte benen minder.