Op zo’n veelbelovende, zonnige ochtend in het voorjaar van de zomer spring ik op mijn fiets op weg naar een afspraak. Het is een leuke afspraak, ik kijk er naar uit en ik peddel op mijn gemak in het dartele vooruitzicht van een genoeglijke dag. Voor mijn doen is het nog vroeg want de scholieren hebben het straatbeeld al rumoerig verwisseld voor de betrekkelijke rust van de klaslokalen maar het is toch nog wel zo vroeg dat het aangenaam van temperatuur is en fris lonken de thermometers naar de zinderende voorspellingen van deze dag. Ik ben ternauwernood, gewoontegetrouw overschat ik mijn behendigheid en kom wat onbesuisd op het zadel terecht, op straat of een joviale buurman begroet me enthousiast met altijd brede gebaren. Ik voel me een beetje vereerd want hij is, een paar jaar ouder dan ik, een van mijn lichtende voorbeelden. Altijd gesoigneerd. Goed gesneden in elke outfit, volle haardos en op weg. Op weg naar wat? Filosoof, woordkunstenaar en altijd een onderwerp om over te praten. Gesoigneerd van buiten en ook van binnen. Zelfs gesoigneerd als hij met het snot voor zijn kop van de fiets afstapt na een helse tocht of na een riante zevenheuvelentijd gelopen te hebben. En het leuke aan hem zijn de kritische oogjes met een milde ietwat spottende en ook peilende blik. In mijn ooghoeken doemt, in een volgende straat, een andere en veel jongere figuur op. Hij heeft de zoekende loop van de lange slungel die zich nog geen raad weet met zijn houding. Dat komt ooit wel maar nu is het nog tobben en dat straalt hij ook uit en dat is dan ook weer niet bevorderlijk voor het zelfbeeld.De volgende man fiets ik achterop en al van achteren is te zien dat het woord tobben niet in zijn vocabulaire voorkomt. Non verbaal straalt hij een en al energie en vanzelfsprekend zelfvertrouwen uit met een soepele nonchalance die jaloersmakend is. Hij heeft alles in de hand en mee. Ik fiets hem voorbij, kijk even opzij en zie dat het beeld van de halfgod gecompleteerd wordt door een strakke kaaklijn met perfect driedagenbaardje en een ouwe baseballcap en ik trap maar gauw door. Verderop een opa die niet zo vreugdevol edoch geconcentreerd kijkt naar een kleinkind op een speeltoestel dat hij mag duwen. Ik zie en hoor opa denken: is dit nou echt leuk? Oma wil oppassen en opa wordt er op uit gestuurd. Even verder een man in een tomaatrood(hoe verzin je het) joggingpak die al in de uitloopfase is en teleurgesteld op zijn horloge kijkt ondanks zijn, jawel, eh tomaatrode kop. Daarna zie ik in het open veld een man bezig met zijn warming up of cooling down, dat is niet geheel duidelijk. Hoe dan ook, hij doet heel geconcentreerd uitermate zijn best. Ik fiets verder met in mijn kop een wirwar aan verschillende mannen die ik allemaal gedachten en gedrag heb aangepraat. Verwarrend en verward kom ik inmiddels ter plekke. Ik bel aan bij nog een man. Benijdenswaardig relaxt, relativerend, alles in de hand. Hij wil open doen, gastvrij, en dan zit die deur nog op slot. Ik zie even een geërgerde blik. Een onverwacht trekje.Later die dag, op de weg terug, laat ik de fietsobservaties in gedachten de revue passeren. De vitaliteit van de joviale buurman is er een om te behouden. De lange slungel herken ik. Ik ben zelf nooit lang geweest maar het zoeken naar een houding komt me wel heel bekend voor. Brad Pitt op de fiets ben ik nooit geworden. Jarenlang heb ik geoefend voor de spiegel om me een vanzelfsprekende nonchalante houding te verwerven. Tevergeefs.De opa, de jogger, de warmingupper, de coolingdowner, de relaxte. In ieder van hen zie ik wel facetten van mezelf terug.Klein beetje held en klein beetje minder held.
Thuis gekomen lees ik het verhaal van een echte held. De zwarte man, Patrick Hutchinson, redt een gewonde hooligan het leven tijdens een Black Lives Matter demonstratie. Onverstoorbaar grijpt hij in, zwaait de bloedende tegendemonstrant over zijn schouder en draagt hem rustig, met een ingetogen blik, de muitende meute uit. Had ik maar een sprankje Patrick.
Laat ik dan eerst maar eens, achter in de tuin, onverstoorbaar gaan oefenen met het werpen van een zandzak over mijn schouder en als dat lukt zonder gekerm en gekreun gloeit er misschien een sprankje.