Identiteitscrisis (10-2-’20)

Ze liggen, normaal gesproken, zo gezellig met z’n zessen naast elkaar.De omgeving is koel en dat zijn ze gewend en dat vinden ze ook prettig. Zo gedijen ze als het ware het best en glazuurt hun delicate huidje van weelde. Ze kijken met belangstelling en soms ook ademloos naar de Voorbijgangers. Zou hij, of zij? Nee toch niet, of toch. De Voorbijgangers blijven staan, overleggen, wijzen naar één of soms twee van de zes of lopen door. De dames soms verongelijkt en dan weer opgelucht achterlatend. Ze commentaren ratelend.‘Zag je die met die vieze vingers, ik moet er niet aan denken dat ie aan me zou zitten.’ ‘Nou maar die andere had best zijn tanden in me mogen zetten.’‘Ja, en er was een stel dat me had mogen meenemen. Ik zie al voor me hoe ze verlekkerd naar me zouden kijken en genotzalig een hapje van me  zouden nemen.’‘Meisjes, meisjes, rustig maar. Jullie komen echt wel aan de beurt. Dat heb ik al vaker gezien.’Het is een wat pafferig type en het dotje op haar kopje begint al wat uit te zakken. ‘Pas jij maar op dat je dadelijk niet wordt overgeslagen. Voor je het weet ben je een oude taart.’ Het dotje zakt nog wat verder over het kopje en ze zucht mismoedig terwijl de anderen wat hatelijk gniffelen.‘Jullie moeten niet zo zuur doen, dat is niet goed voor je innerlijk.’De anderen knikken geschokt. Zure zusters worden uitgekotst. Dat weten ze maar al te goed. ‘En ik verkeer toch al in een identiteitscrisis’ vervolgde de oude taart met vochtige ogen. De anderen knikten vol mededogen. ‘Dat geldt voor ons allemaal’ snikte nu de jongste ‘sinds de Voorbijgangers’ en de gierende uithalen maakten haar woorden onverstaanbaar. De anderen hadden het ook gehoord. Van twee vadsige Voorbijgangers hebben  ze begrepen dat ze voortaan geen Moorkop meer genoemd mochten worden. De dames waren verpletterd en moesten hun best doen om hun fluffy stuffing niet ineen te laten zakken. ‘Niet huilen joh, dan schiet je room in de brokken en noemen ze je dadelijk een geschifte soes.’ Ze glimlachen flauwtjes en denken na over het treurige lot dat hun eigen naam te wachten staat. Vroeger konden ze zich nog troosten met zo’n lekkere negerzoen maar die bestaan ook al niet meer.Wat betekent moor eigenlijk? Modder, wist de een.  Een fluitketel wist de ander maar dan was het wel Vlaams.  Maar het heeft ook iets met een donkere kleur te maken en daarom mag het niet. Hoe moet het dan met de witte en bruine bolletjes die bij ons als zoete broodjes over de toonbank gaan. Onmiddellijk ontstaat er onrust in de mand waar de kadetjes zo lekker in pais en vree door elkaar lagen. ‘We zijn toch allemaal hetzelfde’ roepen ze verbaasd ‘wij hoeven ons geen zorgen te maken’ zeggen de Jodekoeken tevreden. ‘Dat weten we vanuit het verleden’ schamperen de bonbons maar de Belgische exemplaren worden wat wit, pardon bleek, om de neus. Ook de Zeeuwse Babbelaars en de Weesper Moppen worden er stil van en het Turkse Fruit verschiet van kleur. Een zwarte doos vol met mysterieuze heerlijkheden probeert zich te verbergen achter een profiterole terwijl ze met een piepstem zegt: ‘naar mij zijn ze altijd al op zoek’.Alle lekkernijen en delicatessen voelen zich plots bedreigd.‘Zijn we nu ineens niet lekker meer?’ vragen ze zich mismoedig af.‘Welnee, we zijn wie we zijn, en dat hangt niet van een of ander naampje of overgevoeligheid van zo’n Voorbijganger af.’ Aldus de oude taart die er weer veel vitaler uitziet.Een donderend applaus is haar deel.‘Of we nou chocobollen worden genoemd, roomsoezen, roomkoppen of kleine Bossche Bollen het maakt niet uit, we zijn wie we zijn.’Instemmend gehum en bravogeroep.‘Orde Orde’ roept Frans het stokbrood dat zich wonderwel snel aanpast.Ze kijken hem allemaal vragend aan maar hij haalt zijn schouders op: ‘iemand moest dat toch zeggen’ en geeft het woord weer aan de ouwe taart.‘Het is allemaal begonnen met die bakker uit Monster die zijn Moorkoppen voortaan Roomkoppen wilde noemen.’‘Wat een Stomkop’ roept een Mozart-Kugel vals ‘als die moorkoppen daar maar geen Monsterkoppen gaan heten’.De zandkoekjes vallen bijna uit elkaar van het lachen.Ook de hoek van het Smörrebröd knispert van de lol.‘Weten jullie hoe zo’n lekkere Negerzoen in het Deens genoemd wordt?’‘Nee…..’ verzuchten de Moorkopjes blozend en zij schikken hun dotjes die bijna van de kopjes storten.‘Een Negerzoen is een Flodebolle’‘Flodebolle, Flodebollen’ de Moorkopjes sabbelen peinzend op dit mooie woord.‘Wat romantisch’ fluisteren ze ‘èn poëtisch’.Dan liggen we straks weer bij elkaar als Chocobollen en Flodebollen.Alsof er niets is veranderd.

Plaats een reactie