Onder het laken van ontwaken ligt de lome deken van aanzwellende vroege ochtendhitte al in de aanslag. De nachten verschaffen het huis een verkoeling van een paar graden mits alle ramen en deuren tegen elkaar open staan. En waar elke rechtgeaarde Nederlander al zijn hele leven beducht is voor de levensgevaarlijke effecten van tocht wordt nu elk zuchtje lucht theatraal verwelkomd. Het is nog vroeg maar we zijn wakker en de klamme lappen wegklappend roep ik, en probeer monter te klinken, ‘een kopje koffie dan maar?’ Een retorische vraag want ‘het kopje’ is opgelegd pandoer, een vast ritueel. We wisselen de nachtelijke ervaringen uit. Wel goed geslapen, niet goed geslapen. Wel gedroomd, niet gedroomd. Wel heet, niet zo warm en ga zo maar door. De agenda wordt doorgenomen. Jij dit, ik dat, zullen we dan…. De agenda is vrijwel leeg. Coronabeperkt, vrienden en familie zijn met vakantie en het is warm, nee bloedheet passend bij een hittegolf dus de puf om iets te ondernemen is er niet echt.
En dan, ik denk dat op dat moment de cerebrale eiwitten al gaan stollen, gebeurt het. Ik weet niet of u dat herkent maar du moment ik mijn mond open weet ik al dat spijt ga krijgen van wat ik nog moet gaan zeggen. ‘Doe het niet’ hoor ik in mijn hoofd vanuit de hersenhelft die nog niet in staat van ontbinding lijkt te zijn. Maar de chauffeur van mijn tong heeft oog- en oorkleppen op en het noodlot slaat toe. Onbarmhartig.
‘Misschien ga ik een dezer dagen wel een stukje schrijven’.
Gelukkig zeg ik nog ‘misschien’.
Maar degene met wie ik het kopje koffie nuttig blijkt selectief te luisteren.
‘Dus jij gaat vandaag een stukje schrijven’ klinkt het ijzingwekkend snel, en dat is dan verfrissend in deze hitte, en de inquisitie slaat toe: wat, waar , hoe, met wie, nou het werd wel weer eens tijd, ‘k zou maar eens gauw aan de slag gaan.
Later op de dag heb ik voor mezelf allerlei uitvluchten en klusjes bedacht om me met van alles bezig te houden en dan komt het.
‘Schiet je al lekker(!?) op met je stukje’.
‘Nee, ik ben nog niet begonnen’. (Fout, want dan geef je impliciet aan dat je wel wil beginnen).
‘Maar je zou toch…’ (op schrille toon)
‘Ik ben de hele tijd al bezig met van alles’. (Ook fout want dan suggereer je dat daarna..)
‘Dan laat je toch die klusjes zitten, die kunnen morgen ook nog en dan kun jij lekker(!?) gaan schrijven’.
‘Ik wil het graag vandaag afhebben want anders stapelt het zo op’. (Weer fout, geen duidelijke communicatie)
‘Dan help ik je toch even, kun jij daarna lekker aan de slag’
‘Maar ik wil helemaal niet schrijven.’
‘Vanochtend zei je nog….’
‘Nee, dat zei ik niet en trouwens ik heb geen inspiratie’
‘Ga jij nou maar lekker zitten dan komt die inspiratie vanzelf. Desnoods schrijf je over het weer.’
Waarvan acte.