De lapjeskat (21-1-19)

De tuin wordt regelmatig bezocht door een kat.Ik ben geen kattenhater en waarom zou ik ook. Ook geen liefhebber en waarom zou ik.Ik kijk eerst graag de kat uit de boom alvorens toenadering te zoeken.  Dat herken ik ook wel vanuit het dagelijkse leven. Ik wil niet afgewezen worden en als zo’n poes je de rug toekeert alsof je haar persoonlijk hebt beledigd word ik onzeker. Een goede vriendin, een ware kattenliefhebster, heeft me uitgelegd dat ik juist troost kan vinden in het feit dat de poes haar rug toekeert. Volgens de katten-etiquette zit het zo.Katten die elkaar beter willen leren kennen besnuffelen eerst elkaars neus en vervolgens de poepert zodat ze elkaars essentiële geuren goed kennen. Dus de kat die mij eerst een kopje geeft en vervolgens mij haar rug toedraait is niet beledigd maar biedt mij de gelegenheid om haar poepert te besnuffelen. Ik voel mij vereerd hoewel ik dat in het dagelijkse leven ook wel als wat verwarrend en grensoverschrijdend ervaar.Me and the cat, het blijft wat complex.Goed, de kat in de tuin. Een prachtig exemplaar. Groot, levenslustig glanzende vacht met rode, witte en zwarte vlekken en dus een Lapjeskat. Een poes, geen kater.In mijn streven om in vreedzame co-existentie met katten te leven laat ik ze met rust. Dat bevalt de kat en mij trouwens ook. Ik zie de kat en ik laat de kat totdat ik me realiseer dat kat en vogeltjes niet in vreedzame co-existentie met elkaar leven sterker nog de een maakt jacht op de ander. De redder in mij ontwaakt. Met vogelvoer, vetballen, pindakaas en vogelhuisjes proberen we te faciliteren dat onze tuin een ‘natuurlijke’ habitat wordt voor onze gevederde vriendjes en we genieten van het gekwetter, gefladder en getsjilp en dan ligt er zo’n beest op de loer.Vorsend kijk ik naar buiten de zonnige vrieskoude tuin in.Als een jachtluipaard sluipt de Lapjeskat door de tuin.De held in mij ontwaakt nu ook en ik besluit direct in te grijpen, duw mijn borst imponerend vooruit en sla met mijn hand driftig op de ruit in een opwelling angstaanjagend te zijn. Geen reactie, nada. Ik ram nu met mijn geringde vinger tegen de ruit. En ja, ze draait zich welwillend om. Ik maak heftige krijgshaftige gebaren.Ze gaat er eens op haar gemak voor liggen, in het zonnetje bij het tuinbankje, likt haar pootjes en kijkt me met geveinsde interesse ietwat spottend aan. Ze laat me haar neus zien en volgens de poezen-etiquette is dat een verzoenend gebaar dat ik gemakshalve negeer want dan volgt dadelijk die poepert ook nog en daar heb ik nu even geen behoefte aan met mijn greenpeaceredtdevogelgevoel. Ik besluit tot hardere actie en ik sprint van raam tot raam met Don Quichote-achtige strapatsen die zij geamuseerd gade slaat. Dan zwaai ik de keukendeur open en iets in mij doet haar besluiten dat het menens is en zij rekt zich nog eens behaaglijk uit en zonder mij nog een blik waardig te keuren schrijdt zij, licht heupwiegend, de tuin uit. Met een vaag gevoel van gêne sluit ik de deur en een beetje met de staart tussen mijn poten kijk ik naar buiten. Het is weer een vrolijke bende in de tuin. Koolmeesjes, pimpelmeesjes, roodborstjes, musjes en duiven flierefluitend rond de vetballen.De held en de redder in mij spinnen van genoegen en snorren van plezier.
Binnenkort krijg ik versterking.Er is een pup in aantocht.Een pup van een dwergteckel. Met haar in de tuin zal die Lap zich wel gedeisd houden. Met of zonder poepert.

Plaats een reactie