Laatst kreeg ik de kans om een opera digitaal te aanschouwen. In tijden van corona moet je wat natuurlijk maar ik ben ook echt wel een liefhebber van opera. Ik hou van het theater en het sabelbonte spektakel van de diva’s en divo’s. En eerlijk gezegd, ik zou zelf ook wel een divo willen zijn. En in de stille, melancholieke uurtjes van mijn bestaan fantaseer ik daar wel eens over. Ik neem u even mee. Dan bestorm ik de podia van de wereld en blèr met lange uithalen de van emotie snotterende toeschouwers van hun balkonnetjes om te beginnen in de Scala van Milaan. Heerlijk. Doordrenkt van mijn eigen talent bedank ik ‘mijn uitzinnige publiek’ minzaam voor het uiteraard ovationele applaus met een jubelende aria om vervolgens kushandjes te werpen naar het snikkende gehoor en het podium te verlaten terwijl ik mijn gelaat dep met een grote witte zijden shawl( ik geef toe dat ik die act heb afgekeken van Pavarotti maar hij, op zijn beurt, zag dat al bij Meat Loaf) om met mijn groupies, dat zijn natuurlijk de groten der aarde, ergens in een exclusieve club te dineren en champagne te drinken. Ik hou helemaal niet van champagne maar ja, je moet er iets voor over hebben. Ook als divo is het soms tobben. Ik heb u even meegenomen naar het podium van mijn gemiste kansen en wil dan nu maar weer back to normal. Naar de real life opera waarover ik het had bij de aanvang van dit stukje.
Carmen, opera van Bizet, in het Spaanse Sevilla. Carmen is een, laten we zeggen, schalks ogende zigeunerin die met haar felle blik mannenharten in lichterlaaie zet die dan voor haar door het vuur gaan en zich te pletter lopen tegen een prestigieuze processie van verkeerde beslissingen waarvan je als argeloze toeschouwer al lang denkt: ‘doe dat nou niet, man, dat loopt toch verkeerd af’ en dat gebeurt dan ook maar pas tegen het eind. Tot die tijd is don José, als smachtende smeker, de rivaal van de toreador die vrouwenharten zelfverzekerd even gemakkelijk en talrijk spiest als de stieren in de arena. Sans rancune. Zo’n man dus. In plaats van bloed heeft hij alleen puur testosteron door de aderen gutsen. En dan weet je wel hoe het afloopt. Carmen speelt een dubbelspel en gaat er aan doordat José haar doodsteekt. Bewonderenswaardig hoe lang(en hoe mooi) zij nog kan zingen met een mes tussen haar ribben alvorens het loodje te leggen. De nobele José barst in tranen en in een aria uit en gaat het cachot in. Zo nobel is hij trouwens nou ook weer niet want hij zou gaan trouwen met Michaëla omdat zijn oude moedertje dat zo graag wilde. Michaëla is een sullig tutje dat in alles de tegenpool is van Carmen en wordt stante pede gedropt door José. De moralisten onder ons weten dan al, boontje komt om zijn loontje. Op het moment dat Carmen met het mes in haar borst door haar knieën zijgt, zijgt don José gekweld ter aarde en zijgt de stier in de arena ineen als gevolg van de genadestoot van die dappere toreador die zich triomfantelijk laat toejuichen. Olé, olé.
Hoewel het verhaaltje, libretto geheten in operakringen, van een vreugdevol Bouquetreeksniveau is, is de muziek prachtig. Bizet is tijdens zijn leven nooit in Spanje geweest maar wat mij betreft heeft hij de Spaanse sfeer in de muziek weten te vangen. In deze uitvoering van Carmen werd er ook prachtig en temperamentvol gezongen. En wat geweldig was, was dat de zangers ook fysiek bij hun rol pasten. Montserrat Caballé of Christina Deutekom zie je niet direct als een overspelige zigeunerin maar deze vertolkster wel. Don José had een wat Aziatische look voor een Spanjaard maar jong, slank en appetijtelijk en dus een kniesoor die daar wat van zegt. Beter dan een buikige grijsaard met O-benen. En de toreador? Een echte. Met een neus als een matador. Wijd opengesperde neusgaten waar de testosterondampen briesend aan ontsnapten. Al met al zowel muzikaal als visueel zeer geslaagd. Een uitzinnig publiek en een ovationeel applaus.
Op de bank wapperde ik mijn grote witte zakdoek.