Bad hair day (28-2-’21)

Het confronterende effect van online meetings is wel het verschijnsel dat ik bij het opstarten mezelf vol in beeld krijg. In alle hevigheid van onvolmaaktheden. Daar waar ik mezelf graag aangenaam bespiegel onder de bekoring van gunstige lichtval, verhullende schaduw en de juiste gezichtshoek en dat vriendelijke moment voor de rest van de dag poog vast te houden door niet meer in beeld weerkaatsende spiegelruiten te kijken vervalt de idylle in duizenden gruzelementen als ik onverhoeds online mezelf onder ogen krijg.

Whiskeywallen, rhinocerosrimpels, nicotineneuzen, kalkoenkinnen, oorverdovende ooruitgroeisels en nog veel meer dermatologische wanorde waarvoor zelfs nog geen medische terminologie is ontwikkeld. Als de anderen ook op het scherm verschijnen wordt hun gemoedelijk bedoeld welkom halverwege gesmoord in een verbluft, voor mij pijnlijk, stilvallen.

Naar adem happend proberen ze zich te herstellen en online klinkt de oneliner ‘wanneer ga jij naar de kapper’? 

Ze hebben een punt. 

In bovenstaande omschrijving van mijn spiegelbeeld ontbreekt het item ‘kapsel’ voor zover er nog van een kapsel sprake kan zijn. I hate to say but mijn haar is ontploft. Ondanks crèmes, shampoos, gellen, reuzels(ja heus) en zelfs dramatically moisturizing lotions is er een coupe ontstaan waardoor een stekelharig egeltje zich onlangs met een ijselijk gilletje van afgrijzen razendsnel uit de benen maakte. Van het uitgespaarde kappersgeld kan ik inmiddels een lang weekend naar het Kurhaus in Scheveningen en de kapper dus niet terwijl ik hem dat juist zo graag gun in deze tijden. Het eind van deze narcistische kwelling is in zicht want er gloort een afspraak bij de kapper. Ik zal maar een dubbele tijd afspreken.

Een ander effect van de ontberingen in coronatijd voor deze ijdeltuit het volgende voorval.

Ik ging op zoek naar mijn tweed jasje. Mijn meest favoriete jasje en al decennia oud. Is altijd blijven passen, ik kan er in wonen, mee lezen en schrijven, schrobben en boenen en zelfs na het dweilen is het een kwestie van uitwringen en daarna weer pasklaar en troostrijk. Wellicht had ik troost nodig of zo want ik ging op zoek naar mijn favoriete jasje. Kon het niet vinden en verdacht mijn leefgenote er van de winterkleren te hebben opgeruimd. Na de Siberische sferen van onlangs is het nu lonkend lente en dan vaart er een dynamiek in sommige vrouwen waar ik ontzag voor heb leren ontwikkelen. Visioenen van cyclonen bestaande uit vim, chloor en mattenkloppers die door het huis tornaderen en een tsunami aan niet logische verhuizingen van meubilair en dies meer zij veroorzaken bij mij een gevoel van onrust, zeg maar gerust gruwel, waarna niets meer hetzelfde is. Na de Schoonmaak, want daar heb ik het over, is mijn leven onherstelbaar veranderd. Ieder jaar weer. 

Maar zover was het nog niet. De winterkleding was nog niet opgeruimd.

‘Je kijkt niet goed’, zei ze.

Nou dat kan en ik ging, eerlijk gezegd opgelucht, opnieuw zoeken.

‘Je kijkt niet goed’, toen ik onverrichterzake terugkwam, ‘ik ga zelf wel’.

Ook ‘ik ga zelf wel’ bleek niet te helpen.

Misschien heeft u ook niet goed gekeken opperde ik voorzichtig.

Beledigde billen beenden de kamer uit en kwamen even later triomfantelijk terug met het vermaledijde tweed jasje. 

Mijn huismussige corona bestaan hadden een winterjasje overbodig gemaakt en mijn geliefde tweed hing nog steeds op zolder tussen de andere spullen die daar nu maar het seizoen overslaan.

Wat zeker geen seizoen kan overslaan is de plukbeurt van ons teckeltje.

Het beestje ziet er allerliefst uit met haar ruwharige krulletjes, borstelige wenkbrauwtjes en design snorhaartjes. Niks geen ontploffing. Haar om jaloers op te zijn. Maar ze moest toch, voor haar eigen bestwil hè, naar de plukker.

Vrouwtje en beestje samen op pad, ik bleef handenwringend thuis. Wetend hoe verschrikkelijk kaal ze er uitzag de vorige keren dat die twee samen op pad gingen.

Ze kwamen terug, allebei verslagen.

Het hondje keek me aan met zo’n blik van ‘zeg maar niks’ en dat deed ik natuurlijk ook niet. Ze kreeg lekkere hapjes, warm dekentje, kruikje erbij en troostvolle woordjes. Maar dat alles kon niet verhullen dat ze er gewoon niet uit ziet. Kaal en gladharig zonder design snorharen. 

Ze veegde met een bevallig gebaar van een voorpootje langs haar oortje, dat vrolijk meeflapte, een denkbeeldige lok wegstrijkend.

Ze keek me aan alsof ze wilde zeggen: ‘just a bad hair day bro’.

Ik keek haar diep in de donkere ogen en bespeurde een ironisch twinkeltje: nou jij nog!

Zo is het, nou ik nog, ik heb al een datum.

Plaats een reactie